Klassieke Homeopathie Willem Beekman - Lid N.V.K.H.  en  K.V.H.N.
 
Je dient Flash geïnstalleerd te hebben om deze pagina te bekijken.
 
 
Bewijsvoering voor homeopathie
 
 
Er zijn verschillende vormen van onderzoek om de werking van homeopathie aan te tonen.
 
 
De geneesmiddelproeven op gezonde proefpersonen
geneesmiddelproeven van homeopathische middelen
vinden al 200 jaar lang over de hele wereld plaats.
Een geneesmiddelproef in de homeopathie gaat simpel gezegd
als volgt in zijn werk: gedurende één of meerdere dagen neemt een proefpersoon het te beproeven middel in, vanaf de eerste
inname wordt nauwkeurig de verandering in de gezondheidstoestand bijgehouden, de symptomen die veroorzaakt worden door het middel vormen het uiteindelijke geneesmiddelbeeld. Soms zijn er individuele proeven, maar meestal gaat het om proeven van meerdere tientallen proefpersonen.
De resultaten van een proef worden vergeleken met die van
andere proeven met hetzelfde middel. Hoe meer proefpersonen een
bepaald symptoom vermelden hoe groter de waarde van dit symptoom. Voor de nauwkeurige waarnemer blijkt een enkel middel zeer veel symptomen te kunnen veroorzaken.
 
Onderzoek naar de werking van hoge potenties.
Wanneer we maar lang genoeg doorgaan met het verdunnen van
een stof, dan verdwijnt uiteindelijk de laatste molecuul uit de
oplossing en houden we niets anders over dan water.
Klassiek homeopaten werken met middelen die zover verdund
zijn dat de kans dat er nog een molecuul van de oorspronkelijke stof aanwezig is, vrijwel is uitgesloten. Toch blijken juist deze middelen
veel sterker het menselijke organisme te kunnen beïnvloeden dan stoffen die minder verdund zijn. Als verklaring hiervoor wordt gegeven dat door het schudproces, dat tussen iedere verdunningsstap plaats vindt, de watermoleculen zich op een bepaalde manier gaan rangschikken en dat deze rangschikking (configuratie) telkens in versterkte vorm wordt doorgegeven. Op deze wijze wordt niet de stof zelf doorgegeven maar een energetisch patroon ervan. De klassieke homeopathie stelt, dat deze energieprikkel de levenskracht van een patiënt stimuleert en een aanzet geeft tot genezing.
 
De reguliere geneeskunde werkt in het algemeen niet met begrippen als energie en levenskracht. Dat de vloeistof drager is van een vorm van energie is niet met het oog of met een microscoop aan te tonen. Met behulp van de moderne fysica is de homeopathische theorie echter wel te verklaren. Einstein gaf in feite al aan dat de mens uit een vorm van energie bestaat. Met zijn veldtheorie stelde hij het volgende: ''We kunnen materie beschouwen als iets wat gevormd wordt door die delen van de ruimte, waar het (energie)veld extreem intens is. Er is geen plaats in de nieuwe fysica voor zowel het (energie)veld als de materie. Het (energie)veld is de enige realiteit."
De mens bestaat dus uit energie. Sommige delen zitten zo dicht op elkaar dat ze zichtbaar zijn (het lichaam). Sommige delen zijn minder dicht en zijn niet zichtbaar maar alleen voelbaar.
Wat er bij de bereiding van een homeopathisch middel gebeurt is, dat een proces in werking wordt gezet, waarbij een heel dicht energieveld (materie) wordt omgezet in een lossere samenhang. Er ontstaat een minder compact energieveld, dat in staat is het energieveld van de mens (zijn levenskracht) te beïnvloeden.
Het is belangrijk weg te stappen van het de hedendaagse conceptuele impasse waarin we door Avogrado's wet zijn terecht gekomen.
Neem alleen al een M3 lucht in een ruimte en geef het aan de chemist om te analyseren. Hij zegt dan dat er zich stikstof en zuurstof in bevinden.
In die lucht komen echter ook radiogolven en elektromagnetische golven voorbij.
Niemand kan zeggen dat dit niet zo is en ook de chemist kan dit niet ontkennen.
Door de ontwikkeling van de fysica en vooral in het veld van de quantumfysica kunnen de verschillen in energie gemeten worden van de homeopathische middelen. Op de Technische Universiteit van Athene in Griekenland worden sinds 1995 (door een team van specialisten rond professor P.D. Bourkas) de verschillen in weerstand tussen de homeopathische gepotentieerde middelen getest. De waarde van de weerstand van bijv. Chamomilla in water blijkt laag te zijn, maar hoe hoger de potentie wordt, hoe hoger de weerstandswaarde. Chamomilla 30c heeft dus een lagere waarde dan Chamomilla 1M.
De waarde van het watermolecuul wordt groter en groter en daarom neemt de weerstand toe en, interessant genoeg, per homeopathisch middel op weer andere, geheel eigen wijze. Met individuele curven die laten zien dat op energetisch niveau homeopathische middelen wel degelijk iets 'bevatten'.
Onderzoek naar het gelijksoortigheidprincipe In 1997 werd er aan de universiteit van Utrecht een belangrijke fase van een baanbrekend onderzoek afgerond. Zeven jaar lang deed de vakgroep celbiologie van deze universiteit onderzoek naar het zogenaamde "gelijksoortigheidprincipe". Het gelijksoortigheidprincipe is het belangrijkste uitgangspunt van de homeopathie. Het stelt dat klachten worden genezen door een geringe dosis van een stof die soortgelijke klachten bij gezonde proefpersonen juist kan veroorzaken.
Wat heeft het Utrechtse onderzoeksteam onder leiding van Dr. Roeland van Wijk nu gedaan? In een serie onderzoeken werden dierlijke cellen in het laboratorium blootgesteld aan warmte, zodanig dat er schade aan de cellen optrad. Vervolgens voegde men opnieuw maar in iets minder mate - warmte toe en men constateerde een sneller herstel van de cellen, dan zonder deze extra toevoeging van warmte.
Op dezelfde wijze beschadigde men dierlijke cellen met een arsenicumverbinding. Behandelde men vervolgens de cellen met een hoge verdunning van deze arsenicumverbinding, dan trad een aanmerkelijk sneller herstel in van de cellen, dan wanneer men niets deed. Dezelfde proeven werden herhaald met cadmium, met hetzelfde resultaat.
Het herstel van de cel na toediening van een verdunde dosis van de zelfde stof blijkt vooral effectief te zijn als deze snel na de aanvankelijke schade wordt gegeven.
Uit verdere proefnemingen blijkt dat in latere fases na de beschadiging een verdunde dosis van een andere stof nog wel in staat is het herstel te bespoedigen als een verdunning van dezelfde stof geen effect meer heeft. Dat herstel verloopt des te beter als de andere stof een zekere gelijkenis vertoond met de stof die gebruikt werd om de cel te beschadigen. De onderlinge gelijkenis van verschillende stoffen wordt vastgesteld door met elkaar te vergelijken wat de activiteit was van bepaalde beschermeiwitten in de respectievelijk beschadigde zoogdiercellen.
 
De laatste resultaten van dit fundamentele onderzoek zijn vastgelegd in een publicatie van de Universiteit van Utrecht:
The Similia Principle in surviving stress; mammalian celIs in homeopathy research.
Auteurs: R van Wijk en FA.C Wiegant.
 
Effectonderzoek Voor u als mogelijke patiënt, is het waarschijnlijk niet zo belangrijk wat de wetenschap van homeopathie vindt. U wilt weten of het in de praktijk werkt. Ook daar is uitvoerig en serieus onderzoek naar gedaan, dat aan alle eisen voldoen die men aan dit soort onderzoek stelt. Indien u hiervoor interesse heeft wordt u doorverwezen naar de doctoraalscriptie van CM.Feher, subfaculteit farmacie, Universiteit van Utrecht.
 Tenslotte:
In het septembernummer van 1997 werd in het internationaal gezaghebbende tijdschrift 'The Lancet' de resultaten gepubliceerd van een meta-analyse van onderzoeken naar de werking van homeopathie. Een meta-analyse is eigenlijk een onderzoek naar de resultaten van heel veel onderzoeken. Het kan makkelijk zijn om met één onderzoek zoals hierboven vermeld een positieve uitkomst voor de homeopathie te krijgen. Maar was het wel een goed onderzoek, uitgevoerd volgens aanvaarde normen, en werd er niet teveel toegewerkt naar een positieve uitkomst? Bij deze meta-analyse, uitgevoerd door wetenschappers uit verschillende landen (Prof Dr. Linde et al) werd gekeken naar de uitkomst van 89 onderzoeken met voldoende tot hoge kwaliteit.
Al deze onderzoeken waren placebo gecontroleerd. De bedoeling was om te onderzoeken of de klinische effecten van de homeopathische middelen gebaseerd zijn op placebo-effect. Als dat zo zou zijn dan zou zowel bij de groep die het echte middel kreeg als bij de placebogroep het zelfde resultaat te Zien zijn.
 
 
Wat bleek echter: als je over al die 89 onderzoeken het gemiddelde neemt van die verschillende effecten dan scoort de homeopathie duidelijk hoger dan het placebo-effect.
De uitslag van dit onderzoek ging gepaard met de oproep naar meer onderzoek.